vrijdag 1 februari 2019

Spandoek

[Voorgedragen tijdens de 'Avond van de Poëzie', 31 januari 2019]

Poëzie is misschien wel de zachtste aller kunsten. Vaak biedt een goed gedicht een moment van contemplatie wat zorgt voor rust en voor stilte. In de poëzie kan je je diepste zielenroerselen kwijt. Ook als die bestaan uit woede en frustratie. Daarom kom je poëzie niet alleen tegen op dichtersavonden, maar ook op straat tijdens demonstraties en andersoortige protesten.

Deze week was een protest hier in Maarssen in het nieuws. De bewoners van een flat zitten al ruim een jaar in de ellende. De schade die een storm vorig jaar heeft veroorzaakt is nog altijd niet verholpen. Sterker nog: de steiger die is gebouwd voor het herstelwerk staat er al een jaar zonder dat er een steen gemetseld is. De bewoners zijn de houding van de woningbouwvereniging zat en zijn in actie gekomen. Dat doe je met spandoeken in de media. En over die spandoeken wil ik het even hebben.

[De nu volgende situatiebeschrijving is geheel ontsproten uit mijn fantasie, ik was niet bij de actie aanwezig...]

De actievoerders hadden zich in een van de woningen verzameld om het actieplan te bespreken. Al snel was duidelijk dat ze gebruik zouden maken van een beproefde actiemethode: spandoeken! Er kwam een oud laken op tafel en de eerste zin stond al snel op het doek:

Een jaar in de steigers...

Toen rees er een probleem: want wat rijmt er op steigers? Hijgers? Krijgers? Dat werd niks. Dus toen hebben de actievoerders gekozen voor een mooi staaltje klankrijm in de herhaling van het laatste woord:

is dat normaal
Portaal

Top, dat stond er op. Daar moest op gedronken worden, een goeie actie wordt immers gesmeerd met een scheutje alcohol. Na een paar biertjes kwam iemand met een iets groter laken. Het eerste doek werd achter het raam gehangen, maar deze zou een prominente plek krijgen aan het balkon. Dit werd de blikvanger dus het moest duidelijk zijn waar het om gaat:

Actie
we zijn zat
gooi de flat
maar plat

Tevreden bekeek men het resultaat. Top. Tot iemand de fout ontdekte... “Shit, we zijn ‘het’ vergeten!” We zijn zat, staat er. Daar moet het nog tussen! We zijn het zat!

Actie
we zijn [het] zat
gooi de flat
maar plat




Al met al een leuk resultaat en het lijkt te rijmen. Op beeld wel. Alleen wordt flat natuurlijk uitgesproken als flet, en dan rijmt het niet meer.

Ik schrijf dit stukje niet om de draak te steken met de actievoerders. Ik begrijp ze heel goed en ik wil daarom ook mijn steentje bijdragen aan hun strijd tegen de lakse houding van de woningbouwvereniging. Vandaar dat ik een paar nieuwe teksten heb geschreven die dezelfde lading dekken maar die wel iets meer voldoen aan de regels van een goed gedicht.

De eerste is kort en krachtig en zegt wat er gezegd moet worden. Er zit een lekkere klankrijm in de eerste zin die tevens lekker streetwise en rap-klaar klinkt:

Fiks die flat
en gooi die steiger plat

Maar ook hier is sprake van optisch rijm, als je het op de juiste manier uitspreekt blijft daar niets van over. Dus ook dit kan beter. Vandaar deze tweede poging waarin ik aan het eind ook meteen een vergevingsgezinde houding ten aanzien van de woningbouwvereniging aanneem:

We zijn het zat
fiks die flat
gooi die steiger plat

en wij vergeten... het

dinsdag 16 oktober 2018

Waterverhaal

Dit voorjaar kreeg ik een mooie opdracht. Ik moest een verhaal schrijven over water. In dat verhaal moest ik wat vertellen over de Nieuwe Hollandse Waterlinie aangevuld met een uitleg over de waterhuishouding van vandaag. Ik mocht vrij omgaan met de waarheid, het moest geen taaie kost worden maar een leuk verhaaltje voor kinderen, volwassenen en bestuurders. Hoog- en praktisch opgeleid. Kortom voor iedereen. Leuk, dacht ik. Ik ben een buitenstaander, ik zit er tot over mijn oren in, dus dat moet lukken.
En inderdaad: het stuk over de waterlinie stond snel op papier. Maar dat was dan ook het makkelijkste deel. Dat verhaal vertel ik al jaren dus dit werd gewoon een destillaat. Sterk water, no problem.
Daarna kwam het deel over pompen of verzuipen in Holland waterland. U weet wel: dat deel waar je de mensen moet wijzen op het feit dat het antwoord: “Niks doen, houden zo” op de vraag: “Wat zouden we hier nou moeten doen?” onmogelijk is in ons land onder het N.A.P. 
Ik wilde als volgt te werk gaan: Eerst wilde ik een lijstje met steekwoorden maken. Die steekwoorden konden dan later aaneen gesmeed worden tot zinnen en de zinnen weer tot een verhaaltje.
Dus ik schreef iets over de dijken, over de rattenvangers, over de droogte van de afgelopen zomer (da’s ook iets met water), over molens en gemalen, over de natuur, over het drinkwater, over de rivierkreeft, over het N.A.P. wat niet Nieuw Amsterdams Peil is (dat is een uitgeverij) omdat er niks nieuws is aan het Amsterdams Peil wat in 1683 en 1684 is vastgesteld door het gemiddelde te nemen van alle zomer-vloeden op het IJ en daarna als Norm is genomen voor het hoogtepeil in ons lage land. 
Toen ik alle steekwoorden op een rijtje had staan was ik toe aan een tweede velletje papier. Ik had met alleen de losse begrippen al het maximum aantal van duizend woorden overschreden. Dit werd geen verhaaltje maar een boek. Het eind was zoek.
Nee, dat is niet waar. Het eind was mij volkomen duidelijk. Welke weg ik ook bewandelde, welke afslagen ik ook nam of links liet liggen, ik eindigde met het idee dat onze tijd hier in Holland eindig is. Het zal mijn tijd nog wel duren en mijn kinderen vinden hier ook nog wel vaste grond onder de voeten, maar ik denk dat voor mijn (nog niet bestaande) kleinkinderen het schoolzwemmen geen overbodige luxe zal zijn. Holland gaat ten onder. En dat was niet het happy end dat ik voor dit verhaaltje in gedachten had.
Verzoop ik me daar toch bijna in het in eerste instantie heerlijke bad waarin ik mij had begeven! Maar gelukkig bracht ook hier een fietstocht langs het AmsterdamRijnkanaal uitkomst. Opeens wist ik hoe ik de problemen van te veel tekst en vooral van dat dramatische eind op kon lossen! 

Ik heb het verhaal ondertussen verteld aan de opdrachtgevers. Met succes. Binnenkort gaan we kijken hoe we het verhaal de wereld in kunnen brengen. Wordt vervolgd... ;-)

maandag 11 juni 2018

Jeuk

[verschenen in de BRES, juni 2018]

Het gaat slecht met de insecten in Nederland. En dat heeft één groot voordeel: minder jeuk! Natuurlijk is het jammer voor de bloemetjes dat er minder bijen zijn om ze te bestuiven en natuurlijk is het jammer voor onze kleine onderzoekers dat het vinden van een spinnetje straks een zeldzaamheid wordt en er zijn mensen die zich zorgen maken om het feit dat we vrij voortvarend de onderste laag uit de voedselketen verwijderen, maar minder jeuk is wel leuk.

Althans, ik dacht dat het minder zou gaan jeuken. Maar het lijkt wel of ik de laatste tijd juist veel meer last heb van zeer vervelende kriebels. Niet afkomstig van haartjes, pootjes of draadjes maar van berichten in de social media.

Zo heb ik mij behoorlijk geërgerd aan de Facebook-acties betreffende de Oostvaardersplassen. Ik verbaas mij ten zeerste hoe mensen totaal gespeend van kennis of verstand van zaken het hele beleid om kunnen gooien. En hoe iemand kan bedenken dat het een goed idee is om een hek open te knippen zodat de wilde dieren hun vrijheid kunnen vieren op de grill van een Scania. Ik ben ook van mening dat het niet goed gaat in de Oostvaardersplassen maar er zijn beschaafde wegen met verstandig overleg om tot een oplossing te komen, polderen noemen we dat in goed Nederlands. Dat doe je bij voorkeur met een kop koffie aan tafel en niet met een betonschaar langs de A6.

En wat te denken van de discussies die nu weer losbarsten over het achterstallig onderhoud van het groen in de gemeente? Het is voorjaar, de zon schijnt uitbundig en zo nu en dan komt er ook een goeie bak water uit de lucht dus het is groeizaam weer. Dat zie je aan het gras, dat groeit. Hard. En dan moeten wij Hollanders maaien. Want het moet wel netjes. Zo ook ons openbaar groen. Als het gras boven de enkels komt wordt er gemord en tegen de tijd dat het kniehoog staat gaan we klagen. Zoals de recente oproep van een moeder, wederom op Facebook, om je bij haar in de speeltuin naast het huis te vervoegen met heggescharen, bijlen en zagen om het groen rond de speeltuin te lijf te gaan. Haar zoon had bij het spelen in de bosjes zijn been open gehaald. Dat levert straks een stoer huis-, tuin- en keuken litteken op a la haaienbeet van Freek Vonk. Daar maak je de blits mee op het schoolplein. Maar goed, aangezien de gemeente niet direct genegen was om het groen te asfalteren, om deze levensgevaarlijke natuur te temmen, was het tijd om het heft zelf in handen te nemen. “Ze” doen niets, dus dan gaan we zelf aan de slag!

Ik krijg er de kriebels van. Ik zou dan terug willen krabbelen: er zijn daar in de buurt toch ook mensen zijn die wel genieten van de vogeltjes in die bomen? Er zullen toch ook kinderen zijn die het fijn vinden dat ze ook in de schaduw kunnen spelen? En er zal toch wel iemand zijn die bedenkt dat dat beetje groen keihard nodig is om water op te vangen? Dat als er straks weer een hoosbui valt dat water ergens in weg kan zakken? Dat we dan weer kunnen klagen over natte voeten. Heeft deze dame daar ook aan gedacht?


Als ik al die berichten lees op de social media dan gaat het jeuken. En eigenlijk wil ik dan krabben, reageren. Maar gelukkig kom ik vaker in de natuur en weet ik een ding: als het jeukt: niet krabben! Want dan wordt het alleen maar erger! Dus ik kneus een blaadje van de weegbree en wrijf lichtjes over de gevoelige plek. Dat helpt ;-)

zaterdag 24 februari 2018

Hermien

Dit stukje gaat over de koe Hermien die eigenlijk Joke (Joke 18) heet en Jeanne (Jeanne d’Arc) zou moeten heten.

Hermien had een paar mooie biefstukken. En de boer vond dat de tijd gekomen was om daar eens een slager naar te laten kijken dus Hermien ging op transport naar de slachterij. Niks nieuws, dat gebeurt dagelijks met honderden zusters, neven en nichten van Hermien. Maar Hermien wilde liever haar rundvleespakket bij elkaar houden dus toen het moment zich voordeed nam zij de benen, onder het motto: ‘een wilde koe is geen mak lam’ en vluchtte de natuur in. Naar waar ze thuishoort.

En wat waren wij allemaal blij! ‘s Avonds bij de biefstuk (4 voor een tientje bij de kiloknaller!) hadden we het over hoe goed het was dat zo’n beest aan haar slager wist te ontsnappen en deden we een like op de Free Hermien Facebookpagina. Hermien was vaker in het nieuws dan een politicus in verkiezingstijd en de mensen trokken massaal het bos in om een glimp op te vangen van de koe met de wilde haren. Dat maakte Hermien nog wilder waardoor ze niet gevangen kon worden. Waar is Winnetoe wanneer je hem nodig hebt?

Toen kwam de Speld met het volgende bericht: Koe Hermien kan worden gekloond, dus nu kan ze zowel geslacht als gered worden! Fake news bleek later (De Speld is de enige echte fake-news krant van Nederland).

Ondertussen werd er door de Partij van de Dieren een actie opgestart waarbij een halve ton werd opgehaald om Hermien te redden. Te redden uit het wild en te redden van de slacht. Het bedrag was voldoende om Hermien en haar zus (Joke 19) van een goed verzorgde oude dag te voorzien in een koeien-rusthuis. Maar nu vraag ik mij af: Wat moet een wilde koe in een rusthuis? Is zij niet beter op haar plek in een safaripark? Weet zij dat haar achterneven en -nichten vrij leven in de Oostvaardersplassen? Heeft Hermien aangegeven dat zij na die twee weken haar wilde haren had afgeschud en nu wel toe was aan een rusthuis? Ja, heel misschien was Hermien ondertussen wel toe aan haar eeuwige jachtvelden? Lekker, met een stroganoffsausje...

Beste mensen, hieruit blijkt maar weer: het Hollandse landschap is een landschap, geen natuur. Het is de bedoeling dat de inhoud van dat landschap zich gedraagt zoals wij dat willen. De koeien in onze natuur mogen er wel wild uit zien (zoals de Heckrunderen en Hooglanders) maar ze moeten niet wild zijn. Een koe in het wild heeft geen eigenaar en dat is lastig wanneer zij zich niet aan de verkeersregels houdt en een ongeluk veroorzaakt. Wie betaalt er dan? Misschien is dan de opbrengst van alle kilo’s rundvlees net genoeg om de deuk in de bumper en de kras in de lak te vergoeden? 
Of neem de bevers. Bevers horen er bij, maar niet te veel. Want dan gaan bevers doen wat zij altijd doen: water managen. Maar die taak hadden wij ons zelf al toebedeeld. En die bevers houden zich niet aan onze inrichtingsplannen of aan onze hoog water protocollen. 
En die berichten over wolven die ons land bezoeken zijn natuurlijk hartstikke spannend. Helemaal als ze worden voorzien van een track and trace routekaartje. Maar als zo’n beest niet is gechipt dan wordt dat een heel ander verhaal. Dan weten we niet waar ze uithangen en liggen ze zomaar bij grootmoeder in bed. 

Kortom: wilde beesten zijn welkom, maar wel binnen de lijntjes.

vrijdag 26 januari 2018

Vecht gedicht

Bij een fundraise-avond van het Prins Bernhard Cultuurfonds vroegen ze mij om de avond af te sluiten met een stukje poëzie met als titel ‘Vecht gedicht’. Op het podium kwam ik er achter dat ik die titel misschien verkeerd had geïnterpreteerd. Voor een zaal kunst-, cultuur- en Vechtminnend publiek heb ik het volgende gedicht voorgedragen.

Vecht gedicht
Man, wat heb ik een hekel aan de Vecht
die bochten, die buitens, zo banaal
doe mij het AmsterdamRijnkanaal
dat is tenminste lekker recht

Haar schoonheid is nagenoeg fenomenaal
hier stroomt het OerHollandse verhaal
van het landschap langs de lineaal
lang leve het Amsterdam Rijnkanaal

Daar flits je langs de ijle populieren
vlot op de fiets van A naar B
Amsterdam Breukelen: vijf of vier kwartieren
windje tegen, windje mee

U denkt nu: fijn dat iemand dit eens zegt
dus kom mee naar buiten allemaal
dan bezingen we het Amsterdam Rijnkanaal
en dichten we die ouwe Vecht

woensdag 17 januari 2018

Veranderen of verzuipen

Alles verandert constant. Sommige veranderingen gaan snel: Zwarte Piet lijkt tegenwoordig wel een kameleon en de zeespiegel stijgt waar je bij staat. De afgelopen eeuw was dat 20 centimeter en de komende eeuw waarschijnlijk ergens tussen de 26 en 82 centimeter. Bij een rencent onderzoek wordt zelfs gesproken over 180 centimeter. Volgens cabaretier Herman Finkers gaat het overigens nog sneller: hij is er bij gaan staan en hij zat al op 50 centimeter in een paar uur.
Andere dingen gaan wat langzamer. Zo vind ik het erg leuk om te weten (je hebt er verder niks aan) dat het Amerikaanse continent zich westwaarts van ons verwijderd met dezelfde snelheid als waarmee onze vingernagels groeien. Ook oude mensen gaan vaak wat langzamer. Maar je hoeft maar een nieuwe batterij in de fiets te stoppen en hup daar gaan ze weer. Mee in de vaart van het volk!

Ik ben creatief en positief van aard, dus ik houd wel van veranderingen. Ik zie altijd nieuwe mogelijkheden wanneer we dingen anders gaan doen. Ik vecht niet tegen windturbines en wat mij betreft komt die zelfrijdende auto zo spoedig mogelijk op de weg. Want ik zie die Max Verstappen wannabees liever racen op hun Playstation dan op de A2.
Maar veel mensen zijn conservatief en houden niet van veranderingen. Zij hebben het idee dat vroeger alles beter was. En daar heb ik mijn vraagtekens bij. Ik ben namelijk best blij dat we bepaalde middeleeuwse gebruiken achter ons hebben gelaten. Maar tradities en gewoontes zitten nou eenmaal lekker. Eigenlijk net als bij klompen: het liefst zou ik door blijven lopen op mijn oude paar, maar als je door de dunne zool de steentjes ‘op je klompen aan gaat voelen’ wordt het tijd voor wat nieuws. En nieuwe klompen knellen, je moet altijd even aan ze wennen. En de roetveegpiet aan jou.

Ook het klimaat verandert al zo lang als wij het hebben uitgevonden. Misschien veranderde het zelfs al daarvoor. En wij mensen hebben ons daar altijd naar geschikt. In den beginne konden we nog naar Engeland wandelen. Toen dat door het opwarmen van de aarde, het smelten van het ijs en het stijgen van de zeespiegel niet meer kon, zijn onze jagende en verzamelende voorvaderen gewoon vertrokken. En daarna vonden we de ferry uit. No problem.

Nu weten we ook dat resultaten uit het verleden geen garantie bieden op de toekomst, maar wel een blik. We kunnen redelijk goed inschatten waar we met z’n allen heen gaan in de nabije toekomst. Hoe verder hoe moeilijker, maar laten we ons nog maar geen zorgen maken over welke jas je aan moet trekken bij het invallen van de volgende ijstijd. Waar we ons wel zorgen over kunnen gaan maken is over de stijging van de zeespiegel. Vertrekken ligt nu een stuk ingewikkelder.

Er staan een paar stevige uitdagingen voor de deur: de afspraken die de wereld heeft gemaakt in Parijs en iets dichter bij huis de ambitie van de gemeente Stichtse Vecht om in 2030 klimaatneutraal te zijn. Daarvoor moet er wel het een en ander veranderen. En snel, anders gaan wij nooit de doelstellingen halen. Maar ‘doelstellingen halen’ hoeft ook helemaal niet! Doelstellingen zijn abstract en je kan ze met een paar klikken op je toetsenbord bijstellen. Dus dat laatste schrijf ik even opnieuw: ... daarvoor moet er wel het een en ander veranderen. En snel, anders verzuipen we. Zo duidelijk?

De vraag is nu: hoe krijgen we de veranderingen voor mekaar? Hoe gaat u dat doen? Is de auto de deur al uit? Bent u al van het gas af? Is uw huis al volledig geïsoleerd? Wekt u uw eigen stroom al op? Eet u nog vlees? Moet je mensen dwingen of verleiden? Wachten we op een echte ramp om de noodzaak aan te tonen (en dan niet een orkaan aan de andere kant van de wereld want die blijken niet te werken, maar een stevige overstroming hier bij ons over de stoep) of gaan we vrijwillig aan de slag?

We zijn onlangs gestart met klimaatgesprekken in de gemeente om het hier eens over te hebben. Niet om elkaar de les te lezen, maar om op zoek te gaan naar inspiratie voor verandering. U bent van harte welkom!


Ps. ik moet ook nog aan het werk: op zoek naar een alternatief voor mijn biefstukje...

zaterdag 21 oktober 2017

Earthship

Ik praat veel en de meeste woorden rollen vrij makkelijk uit mijn mond. Ik heb geen probleem met Worcestershiresaus of fierljeppen. Met de eerste niet omdat ik het nooit gebruik en met de tweede niet omdat ik dat woord zo vaak hoor dat ik het ondertussen met mijn ogen dicht kan zeggen.

Zo ben ik thuis de recordhouder in het zeggen van “ik mix de whisky met de whiskymixer”: 83 keer achter mekaar zonder te struikelen. Dat lukt overigens alleen als je de daad niet bij het woord voegt. Nu houd ik sowieso niet van gemixte whisky. Ik drink ‘m liever puur, no rocks. Maar de ervaring leert dat er na een glas of vijf meer miskeys gewhiksed dan whiskeys gemixed worden in de whiskymixer.

Nu ben ik bezig met het creëeren van een nieuw probleem: achter fort Maarsseveen gaan we een deel van de oorspronkelijke wal terug bouwen. Dat op zich is een uitdaging en geen probleem. Het wordt een holle wal, gemaakt van sloopmateriaal en gedekt met aarde. Zodat er vanaf de buitenkant weer een aarden wal te zien is en er aan de binnenkant zes ateliers en een extra zaaltje ontstaan. Met als mooie duurzame uitdaging om dit bouwwerk geheel zelfvoorzienend te maken: met eigen stroom, eigen water en biotoiletten. Zo’n ding noem je een earthship. En daar ligt het probleem: ik krijg dat woord niet zonder te struikelen over mijn lippen. Ik weet twee zinnen van te voren dat het er aan zit te komen. Ik bereid me vast voor maar eenmaal aangekomen bij het earthship gaat mijn tong dwarsliggen en dan komt het woord er uit alsof ik te hard over een verkeersdrempel fiets.

En dat is erg vervelend, zeker nu ik bezig ben met alle voorbereidingen. In alle presentaties kom ik dat woord weer tegen. Natuurlijk probeer ik het zoveel mogelijk met omschrijvingen te doen maar je ontkomt er niet aan om het beestje zo af en toe toch bij de naam te noemen. Er is wel een oplossing: de uitspraak gaat mij namelijk stukken beter af nadat ik vijf glazen whisky achter de kiezen heb. Dan is mijn tong volkomen relaxed, maar dan is het earthship ook helaas het enige woord dat nog vloeiend loopt.


Het moet dus anders en ik denk dat ik maar hulp moet gaan zoeken. We hebben straks mensen nodig die het leuk vinden om te komen helpen met bouwen en ik denk dat ik ook maar op zoek ga naar een sidekick die iedere keer als ik dat ene woord uit moet spreken voor mij in kan vallen. Sollicitaties via de website...

Zeldzaam

“Kijk, een roodborstje!”, zei een meisje vorige week tijdens de buitenles met de polderwachter in het natuurgebied in Waverveen. 
“Nee”, zei de polderwachter, “kijk eens goed”. 
“Oh nee, hij is blauw!”
“Dus dat is een...?”
“Blauwborstje?” Zo makkelijk kan het zijn.

Ik heb dat meisje en haar vriendinnen die om ons heen stonden wel even verteld dat dat niet iedere keer gebeurde tijdens de les: dat we een blauwborst spotten. Kluten, lepelaars en bergeenden volop. Ook leuk, maar de blauwborst is een zeldzaamheid.

En dan hoop ik dat ze ‘s avonds aan tafel vertelt dat ze die dag een blauwborst heeft gespot. En dat haar ouders dan weten dat dat het hoogtepunt van de dag moet zijn geweest. Want dat is natuurlijk nog maar de vraag: weten zij hoe weinig je zo’n beestje ziet? Met andere woorden: wat is voor deze mensen ‘zeldzaam’? Je kan namelijk ook denken dat alles wat vliegt een spreeuw is. Dan heb je zwarte en witte, grote en kleine spreeuwen en spreeuwen met een lange of een korte snavel. En een kip is een spreeuw die “tok” zegt. Waarbij ik aan moet tekenenen dat er bij mijn ouders op het dak vroeger echt een spreeuw woonde die kon tokken als een kip. En als zo’n ‘spreeuw’ net op de pas geverfde schutting heeft gezeten dan heb je er een met een rood of met een blauw borstje. Pas als je doorhebt dat het hier om verschillende soorten vogels gaat en dat je sommige daarvan vaker ziet dan andere, dan pas kan je gelukkig worden van de eerste gierzwaluw (zo’n spreeuw die klem zit met z’n pootje) van het jaar. Of van het spotten van een blauwborst.

Ik ga tijdens mijn buitenlessen niet op zoek naar zeldzame dieren. Hoe leuk het ook is om een ringslang te zien of een blauwborst, hoe graag ik ook een keer de zeearend over zou zien vliegen als ik vertel over imposante rovers, het blijft een grote gok als je op zoek gaat naar die dieren. En teleurstelling na afloop van de excursie ligt op de loer. Want de kans op het spotten van een zeldzaamheid is natuurlijk heel klein. Dat zal vast iets te maken hebben met het feit dat ze zeldzaam zijn.

Voor ons, natuurkenners bij uitstek is het wel duidelijk wat zeldzaam is en wat niet. Een blauwe reiger, een kraai en een meerkoet zijn niet zeldzaam, die kom je altijd tegen. Nee, zo’n vogeltje wat je nooit ziet, wat op waarneming.nl een volksverhuizing aan vogelaars met telelenzen veroorzaakt, dat is zeldzaam.

Maar hoe zit dat met een ICT-consultant die zijn dagen in de auto en op het kantoor doorbrengt? Die een keer in de maand naar buiten gaat, is voor zo iemand niet iedere vogel, zelfs een spreeuw, zeldzaam?

Dus als je zeldzame vogels wilt spotten kan je twee dingen doen: de app van waarneming.nl installeren of jezelf opsluiten en nog maar een keer per maand naar buiten gaan. 


Of je kan natuurlijk ook gewoon genieten van een spreeuw...

De waarheid

Jawel, ik ga mij er aan wagen: aan de waarheid. Want het zit mij niet lekker. Aan het eind van mijn wandelingen zijn er wel eens mensen die twijfelen aan het waarheidsgehalte van mijn verhaaltjes. En dat is niet leuk. Voor mij. Een gids van de historische kring of het IVN wordt vaak op zijn blauwe ogen vertrouwd, en hoewel ik de blauwste ogen heb van allemaal, heb ik toch vaak wat meer moeite om mijn gasten te overtuigen. Dat zit mij niet lekker. Als ik terugfiets naar huis en ik weet dat mensen zeggen: “Hij kan leuk praten, die polderwachter, maar wat hij zegt moet je maar met een korreltje zout nemen”, dan voelt dat toch als een teleurstelling. Een vorm van pijnlijk onbegrip. Want ik bedoel het niet verkeerd.
Over het algemeen gaat het zo: in den beginne is er een gebeurtenis en daarna volgen de verhalen. Die naarmate de gebeurtenis verder weg is (dat kan zowel in afstand als in tijd) steeds sterker kunnen worden. Maar het kan ook andersom. Ooit had ik om de spoedcursus polsstokspringen van enige urgentie te voorzien het verhaal verzonnen dat er aan de andere kant van de sloot een imaginair schaap op haar rug lag. Daar moet je naar toe om het dier weer op de poten te helpen. Dan is zo'n polsstok een heel handig hulpmiddel om de sloot met enig gemak over te steken. Als je weet hoe dat moet. Vandaar de spoedcursus. En toen gebeurde het: nadat ik het verhaal al vele malen had verteld, liep ik met een groep door de polder en toen lag er aan de andere kant van de sloot een schaap op haar rug. Dus ik moest naar de overkant om het dier te helpen. Zo kan een verzonnen verhaal dus ook later waar worden. Eerst het verhaal, dan de gebeurtenis.
Sinds kort sluit ik mijn wandelingen af met een klein experiment. Ik laat twee door mij gekozen vrijwilligers tegenover elkaar gaan staan. Met net genoeg ruimte tussen hen in om doorheen te lopen. Ik vraag ze goed te kijken naar de komende gebeurtenis, waarna ik met een paar ferme stappen door het poortje loop. Dat was het. Daarna vraag ik ze om een kort en bondig antwoord. Om zonder poespas, zonder verdere uitweiding gewoon de waarheid te vertellen. Ik vraag ze dan: “Van welke kant kwam de passant, van links of van rechts?” En dan zie je de worsteling om inderdaad gewoon te zeggen waar het op staat. Het valt niet mee, want zonder bijzinnen krijg je twee volkomen tegenstrijdige ‘waarheden’. De een zegt van links, de ander van rechts. Terwijl hier natuurlijk de waarheid door het midden liep. De waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid is te groot, die behoeft veel te veel bijzinnen. Bij een goed verhaal kiest de verteller een, soms best triviaal standpunt.
Zo ben ik laatst over een slootje gesprongen. Gevolgd door een aantal gasten. Ik heb ze verteld dat ze, om het verhaal wat sappiger te maken best wat mogen overdrijven. Tot ik hoorde dat zij vertelden dat ze over een sloot waren gesprongen van dertien meter. Dat was natuurlijk niet de bedoeling, want op de foto was duidelijk te zien dat die sloot veel langer was dan dertien meter. Hij was minstens vijftig meter. Ik heb ze dus verteld dat ze, zonder de waarheid geweld aan te doen, best mogen zeggen dat ze over een sloot van vijftig meter zijn gesprongen.
In de breedte welteverstaan, maar een goed verteller weet ook wanneer hij zijn verhaal moet eindigen…

Ouwe koe

U kent ‘m wel: de volkswijsheid ‘je moet geen ouwe koeien uit de sloot halen’. Maar als u een koe in de sloot ziet, weet u dan of u te maken heeft met een jong of een oud exemplaar? De meeste koeien die in de sloot belanden zijn de jonge beesten die in het voorjaar weer naar buiten mogen en zich niet laten remmen door schrikdraadjes, hekken of sloten. Vaak komen die er zelf weer uit, en als dat niet lukt dan rukt de brandweer uit om de boer te helpen. Want een jonge koe heeft nog een heel (productief) leven voor zich, die moet je niet laten zwemmen. Jonge koeien moet je wel uit de sloot halen.
Laatst hoorde ik het verhaal van een bio-boer die uit liefde een oude koe op zijn land had lopen. De koe had jaren dienst gedaan als melkleverancier, was geadopteerd door adoptie(h)ouders uit de stad en mocht haar laatste jaren gewoon op de boerderij slijten. Tot de dood er op volgde. En dat is ondertussen gebeurd: ze is gestorven op het land. Mooi, en zielig. Want de volgende dag stond de inspectie op de stoep met de vraag of de boer de koe had verwaarloosd. En dat is een lastige. Nee denk ik, want de koe had een eigen stukje land, kreeg iedere dag te eten en twee dagen voor het einde was de dokter nog bij haar geweest om haar te onderzoeken. Die had overigens wel gezegd dat ze beter een spuitje kon krijgen. Waarop de boer vroeg of dat was omdat ze pijn had, maar dat bleek niet het geval. Ze was gewoon erg oud. Nou moet je geen menselijke emoties op een koe projecteren of omgekeerd, maar het is een aardig experiment om te bedenken hoe wij zouden handelen bij een oud mens. Die zijn ook niet meer productief en zien er vaak ook niet erg aantrekkelijk meer uit, soms ronduit verwaarloosd. Maar om daar dan ook een spuit in te zetten, ik durf het bijna niet eens op te schrijven…
Wij zijn met onze oudjes aardig op weg om ze uit het straatbeeld te verwijderen door ze in bejaardenhuizen te stoppen en te zorgen dat er zo weinig personeel is dat ze niet meer buiten komen. En ook in onze gebouwde omgeving wordt alles wat maar een beetje riekt naar ouderdom overgeschilderd, rechtgetrokken of afgebroken en nieuw gebouwd. Opgeruimd staat netjes. En toch vind ik dat je best wat vaker oude dingen mag tegenkomen, van hangouderen op een bankje tot ruïneuze gebouwen in het landschap. Want het zou toch mooi zijn als je voor oude dingen niet meer speciaal naar het museum of het bejaardenhuis moet, maar dat je het ook gewoon op straat, in het wild kan tegenkomen? Al is het niet voor de schoonheid, dan wel ter contemplatie: memento mori…
Kortom: ik pleit er voor om vaker ouwe koeien uit de sloot halen.

De wacht

Ik wacht nu al tien jaar en ik heb het wachten tot een vorm van kunst gemaakt. Ik beheers de techniek van het goede wachten. Iets dat in de eerste plaats ligt aan het kiezen van het juiste voorzetsel. Als je ergens óp wacht kan dat inderdaad vervelend worden, maar ik wacht ergens ín. En dat is, mits je het op de goeie plek en de juiste manier doet, erg inspirerend.
Een ware wachter doet eigenlijk niets. Een ware wachter wacht. Zijn aanwezigheid is zijn functie. Ik wacht dus ik ben. Neem Rembrandts Nachtwacht, of de veldwachter van vroeger. Lekker een beetje lopen wachten in het dorp. Zo nu en dan de jeugd een standje geven wanneer zij van de brug in het water spuugden en het hondje van de slager terug naar huis brengen wanneer hij achter het hondje van de bakker aan was gegaan. En verder was het wachten in het zonnetje. Maar veldwachters hebben we niet meer. Net zo min als nacht- en brugwachters. Goed, er zit nog iemand in het hokje bij de brug in het dorp, maar dat is niet zoals het hoort. Een brugwachter hoort bij de brug te staan en je op je valie te geven wanneer je nog net onder de slagboom door probeert te schieten als het licht al op rood staat. Een echte brugwachter zit niet in een hokje op een beeldscherm te turen. Da’s een virtuele brugwachter, nep dus.
We hebben nog wel wachters, alleen heten die niet zo. Vogelaars zijn bijvoorbeeld goede wachters: uren zitten wachten tot zo’n klein bruin vogeltje voor je kijker verschijnt. En dan? Gezien, gevinkt en de vogelaar is voldaan. En vissers zijn ook goede wachters. Ik kan mij namelijk niet voorstellen dat het ze werkelijk gaat om het vangen van een vis. Die haal je hier op de hoek van de straat, klaargemaakt met uitjes en zuur. Waarom zou je daar al die moeite voor doen? Nee, het gaat de ware visser om het zitten aan de waterkant waarbij de vangst van een vis als hinderlijke onderbreking mag worden gezien. Ik zou zeggen: doe geen haakje meer aan de lijn, dan kun je als visser, als walkantwachter je geluk niet op (om maar niet te spreken van de vis).
En wat doet de ware wachter tijdens de wacht? “Niets”, zeg ik dan, maar dat is niet helemaal waar. Want tijdens het wachten worden de gedachten geordend, problemen opgelost en nieuwe plannen geboren. En zo blijkt wachten dus een zeer effectieve tijdsbesteding. Dat zouden meer mensen moeten doen.
Ik wacht nog even.

Het gat

Ik heb tijdens mijn natuurgidsencursus goed opgelet en ik kan mij nog goed herinneren dat een van de docenten zei: “Je moet niet iets vertellen over iets wat er niet is”. Een wijze les die ik goed in mijn oren heb geknoopt. Dit betekent dus dat je geen verhaal moet vertellen over een mooie bloem die nog niet bloeit of over de schitterende zang van een vogel die je gisteren hoorde fluiten. Dus als ik bij een muskusrattenbouw (het holenstelsel van de rat) een verhaal over muskusratten vertel, doe ik eigenlijk iets wat niet mag. Eigenlijk zou ik niet iets over de rat moeten vertellen want die zie je niet, maar het verhaal zou moeten gaan over dat wat er wel is: het gat.
En dan is de vraag: wat is een gat? Een gat is niet niets. Als een ijsvogel geen holte in een steile wand heeft gemaakt is het gewoon een steile wand. En niet een steile wand zonder gat. Pas als het ijsvogeltje zijn werk heeft gedaan zie je het gat. Dan zie je niet niets. Je ziet het ontbreken van grond: je ziet een gat. Dus een gat is iets. En dat is grappig, want als een gat een ding is, bestaan er dan ook halve gaten of is elk gat een heel gat? Kan je een gat verplaatsen? Stel: ik vind een boomstam met een gat er in en ik wil dat gat mee naar huis nemen, hoe doe ik dat? Ik kan de boomstam oppakken en meenemen, maar dan neem ik eigenlijk het omhulsel van het gat mee. Kan ik het gat niet in een doosje duwen en dan een dekseltje er op doen? Dan heb ik een doosje met een gat er in. Maar als er dan een gat in het doosje komt, kan mijn gat er dan uitvallen? En hoe vind ik mijn gat dan weer terug?
Misschien moet u dit stukje een paar keer lezen om er een gat in te zien. En mocht u de smaak te pakken hebben dan raad ik u aan om het boekje ‘over gaten en andere dingen die er niet zijn’ eens op te zoeken in de lokale boekhandel. Daarin leest u ook dat er vier soorten gaten zijn: een deuk (als je met je vinger een klein stukje in de klei drukt), een holte (als je je hele vinger er in drukt), een gang (als je er aan de andere kant weer uit komt) en een intern gat (een luchtbel in een homp klei). Maar wat gebeurt er als je die homp klei met die luchtbel in tweeën snijdt? Heb je dan twee halve gaten?
U ziet: zo kan je dus toch een aardig gesprek hebben over iets wat er niet is…

Vreemde vogels

De Kwak kan er ook niks aan doen. Dat ‘ie Kwak genoemd wordt bedoel ik. Hij roept het niet, hij doet het niet en hij lijkt in de verste verten niet op een eend of een kikker.
En ik kan het weten, want ik heb hem gezien. Deze zomer aan de plas bij onze camping in de Noordoostpolder. Het was een juveniel, een kwakje dus. En aangezien de kwak een schemer-jager is, hebben wij een paar avonden met een aantal mannen met kijkers naar het kwakje staan kijken. Dat is vreemd, althans volgens een aantal mede-kampeerders, want ook zij kwamen ‘s avonds vreemde vogels kijken. Zonder kijker, met klapstoel en een kop koffie keken zij naar de opgewonden mannen aan de rand van de plas. Er zijn er voor minder opgepakt.
En ik moet u zeggen: dit was niet de eerste keer dat mij zoiets is overkomen. Sinds ik mij bij tijd en wijle met natuurvorsers naar buiten begeef, bevind ik mij met eninge regelmaat in dit soort situaties. Vorig jaar lag ik tussen de vogelaars aan de rand van een weiland in de Bethunepolder te kijken naar de kwartelkoning. Althans: het beestje zelf zag je niet, slechts enkelen hebben hem gehoord, maar het was een excursie waard om een rondje langs de spotters te doen met hun Nikkon Nikkors (‘misschien spotten we de zeldzame AF-S 80-400’), de Canon EF’s en de Sigma AF-fen. Ziet u het voor u? En kan ik mij ook nog goed de schemerige avonden herinneren waarop wij met de vleermuiswerkgroep door de Maarssense nieuwbouwwijken trokken op zoek naar broedkolonies. Een groepje mannen die in het donker opgewonden met piepende kastjes naar slaapkamerramen staan te gluren. Met de rug tegen het bordje: Attentie Buurtpreventie!
En zoals iedere man heb ik natuurlijk ook wel eens tegen een boom geplast. Dit behoort immers tot een van de OER dingen die je eens in je leven moet hebben gedaan. Sommige plassen, andere praten en er zijn zelfs mensen die uren met hun neus tegen een boom gedrukt staan. Heb ik dus ook gedaan tijdens de excursie kostmossen. Tot ik door een agent op mijn schouder werd getikt met de vraag of ik tegen de boom stond te plassen. “Nee agent, ik bestudeer hier de korstmossen”. De boete voor het voor de gek houden van een ambtenaar in functie bleek hoger dan die voor wild-plassen.
Kortom: wees u bewust dat u soms vreemder bent dan de vogel in uw kijker. En dan maar hopen dat het natuurgidsenpasje van het IVN oom agent overtuigt van uw groene bedoelingen.

Bladblazers

Daar waar vroeger de zondagochtend werd ingeluid door de kerkklokken en onze vrolijk kwinkelerende gevederde vrienden, wordt tegenwoordig menig vroege vogel overstemd door het geblaas van een bladblazer. En ik hoor liever twiet-twiet dan BWEEEEEHHHHHH
Nou vraag ik mij zowiezo af of het een goed idee is om de winterse bladerdeken weg te blazen. Krijgt de aarde (en een ieder die zich daar heeft ingegraven) het dan niet koud? Zijn al die blaadjes geen nieuwe voeding voor een volgend seizoen en is dat bladertapijt niet ook gewoon ‘mooi’? Nee blijkbaar, want in ons land van orde en netheid moet ook de winterse tuin strak geknipt, geschoren en opgeblazen zijn BWEEEEEHHHHHH
Dat al dat bladblowen je naar de hersens stijgt, wil ik onderbouwen met de volgende waarnemingen. Ten eerste: Laatst waaide het. Windkracht 5. Deze weersomstandigheid weerhield een zondagochtend-heer er niet van om de bladeren uit zijn tuin precies over de grens tussen hem en zijn buurman te blazen. Dat deed hij zeer netjes: de lijn liep precies in het verlengde van de haag tussen de parkeervakken. Maar niet voor lang, want een stevige windvlaag zorgde er voor dat het zojuist schoongeblazen erf van achteren werd aangeblazen met een nieuwe lading gebladerte BWEEEEEHHHHHH
Maar het kan nog gekker: Ik zag laatst iemand die met zijn bladblazer de blaadjes uit een boom stond te blazen! HAHAHAHAHA! Maar dit valt natuurlijk onder de noemer ‘de natuur een handje helpen’: de klaar-over voor de pad, de trooster voor de huiler en de blazer voor het blad.
Wat is er toch mis met onze bezem? Ik heb laatst het pad naar het fort weer aangeveegd met als resultaat zweet op de rug en spierpijn op de volgende dag. Ziedaar de effecten van een uurtje sportschool a €15,- Goed voor lijf en leden dus. Of heb ik het mis en ligt precies daar het probleem? Dat die mannen van de groenvoorziening het niet meer mogen: vegen met de bezem? Dat het in de ARBO is vastgelegd dat zij als impies met een blower de blaadjes van de stoep moeten blazen BWEEEEEHHHHHH
Is er dan niets goeds te zeggen over de bladblazer? Jawel. Ik heb goed nieuws voor onze heks. Dat verhaaltje van heksen op bezemstelen is leuk, maar daar klopt natuurlijk niets van. Heksen, laat staan bezems, kunnen niet vliegen. Bladblazers wel. Ooit zag ik een aflevering van de Mithbusters op Discovery waarin zij met vier bladblazers en een stoel op een houten plaat een hoovercraft fabriceerden. En die werkte! BWEEEEEHHHHHH dwars door de studio! Dus heksen, weg met die ouderwetse bezemstelen, schaf uzelf een bladblazer aan en u kunt (nu echt) de lucht in!

De reiger

Vogels kijken is niet makkelijk. Althans, het kijken lukt nog wel, maar als je dan aan iemand moet vertellen wat je hebt gezien moet je zo’n vliegend verenpakje een naam geven. Het handigst om mee te beginnen is een grote vogel waar niet te veel tot de familie behoren en waarvan het onderscheid duidelijk is.
Reigers bijvoorbeeld. Mooie vogels zijn ‘t, en slim ook. Zij weten dat je de mens te vriend moet houden, en dan het liefst een mens met een hengel aan de slootkant. Grote kans dat die zorgt dat je jouw maaltje toegeworpen krijgt. Ik heb het hier natuurlijk over de meest voorkomende uit de reigerfamilie: de blauwe reiger, die overigens grijs van kleur is. Deze ‘blauwe’ reiger heeft ook nog een wat zeldzamer neef: de zilverreiger die, u raadt het al, niet zilver is maar wit. Hoewel, als je hem op het goede moment treft: aan de slootkant in het zonlicht dan is ‘ie inderdaad witter dan wit. Bijna zilver.
En dan hebben deze reigers ook nog een nog zeldzamer achterneef, bruin van kleur: de purperreiger.
Maar goed, ik snap het wel. Deze sierlijke vogels moeten ook sierlijke namen dragen. Grijze, witte en bruine reiger klinkt toch veel minder goed dan blauwe, zilver en purperreiger.
En juist als je denkt te weten hoe het zit en je vertelt een vogelaar dat je net een zilverreiger in de polder hebt gezien zal hij zeggen: “oh leuk, was het een grote of een kleine?” Blijkt daar ook nog onderscheid in te zitten ;-((

Pop up

Ik ben een man. Dat wil zeggen: ik ben niet zo van het ‘winkelen’. Ik koop mijn schoenen altijd bij dezelfde winkel. En dan ook nog het liefst dezelfde schoenen. Ze zitten lekker, zijn praktisch en ze passen goed. Letterlijk en figuurlijk. Als mens ben je op zoek naar zekerheid. Naar vaste waarden. Een vaste baan, een blijvende relatie en een bakker die al honderd jaar op dezelfde plek bakt.
Maar onder de huidige economische omstandigheden verandert dat. Je hoort de laatste tijd vaak ‘stilstand is achteruitgang’, je moet met je tijd meegaan. Als je als bakker je recept niet aanpast dan kan je na 99 jaar de deur sluiten. (Hoewel je volgens mij nu juist met traditioneel gebakken brood volgens eeuwenoud recept wel weer nieuwe klanten de winkel in trekt, dus zo eenvoudig is die economie nog niet…). Maar goed, veel oude bedrijven sluiten de deuren.
En dan? Leegstand is ook achteruitgang. Als je geen invulling geeft aan lege panden verloedert de buurt en voor je het weet groeit er van alles in de lege schappen. En dat is voor ons natuurfreaks wel weer heel spannend: nieuwe (korst-)mosjes, schimmels en kruipende beestjes die kunnen uitgroeien tot iets wat we niet meer hadden. Neem de Oostvaardersplassen die bij een vorige recessie niet zijn ingevuld met de voorgenomen bedrijfsgebouwen en nu onze mateloos populaire ‘nieuwe wildernis’ zijn geworden. En als er één gebied is waar resultaten uit het verleden wel garantie bieden voor de toekomst, dan is het wel de natuur. Laat een broodje onbelegd liggen en je kan er de donder op zeggen dat er van alles op gaat groeien.
Wij, mensen van de natuur vinden dat fantastisch, maar onze medeburgers zien liever wat anders dan die vieze schimmels en kriebelende beestjes. Dus wordt er tegenwoordig hard gezocht naar nieuwe invullingen voor leegstaande gebouwen om te voorkomen dat de natuur het van ons overneemt. Nieuwe winkels zijn er niet veel, dus gaan we voor een alternatieve invulling: pop up! Een tijdelijke pop-up green-store (ook natuur, alleen binnen de beperking van een pot), een kunstgalerie of studentenwoningen. Die overigens op hun beurt ook een mooie voedingsbodem vormen voor nieuwe natuur.
Ik vind het wel spannend, ik houd wel van verrassingen. Ik weet nog wel een paar braakliggende terreinen die liggen te wchten op pionierplantjes en pop-up festivals. Dus kom maar op met die ideeen voor een tijdelijke invulling. Ruimte zat!
En hoe moet dat nou met mijn schoenen? Ach, klompen lopen ook lekker. Ik weet nog wel een eeuwenoud bedrijfje dat weet hoe je ze maakt…

Zandkastelen bouwen

Ik zit er aan te denken om een 3d printer aan te schaffen. Ik word zo langzamerhand een beetje een luie beeldhouwer. En het lijkt mij wel leuk om met een paar muisklikken concrete luchtkastelen te kunnen bouwen…
Maar goed, u komt hier niet om te luisteren naar mijn persoonlijke dilemma’s over luxeproducten. U komt hier voor een goed verhaal. Over zee en zand. Om te beginnen: de zee.
Kent u het spelletje zand- of zeelopertje? Je gaat naar de zee, trekt je schoenen uit en loopt zo dicht mogelijk naar het water. Als er een golf komt loop of ren je, al naar gelang de snelheid van de golf terug. Het spel wordt nog spannender wanneer je je schoenen niet uit trekt. Een foutje levert je dan een nat zeik op voor de rest van de dag. Wat ook erg leuk is, is om je niet om te draaien en weg te rennen maar om achteruit te proberen de golf te snel af te zijn. Als dat mis gaat er er geen sprake van ‘nat zeik’ maar van ‘zeik nat’.
Men zegt trouwens dat iedere zevende golf hoger is dan de voorgaande zes. Maar ik weet niet zeker of dit echt waar is. Lijkt mij een kwestie van uitproberen…
Dit is een leuk spelletje voor het korte intermezzo tussen twee golven. Ik ken ook mensen die dit spel spelen met hun handdoek, parasol, bolderkar, schep, 3d-printer, koelbox, oma en eb en vloed. Zij komen aan bij hoog water, leggen hun handdoek, parasol, bolderkar, schep, 3d-printer, koelbox en oma op het droge zand en bij eb. En wanneer de zee zich langzaam terugtrekt, trekken zij er met hun handdoek, parasol, bolderkar, schep, 3d-printer, koelbox en oma stapje voor stapje achteraan. Velen die dit spel voor de eerste keer spelen worden verrast door de vloed die sneller opkomt dan je denkt. En dan kan je ervanuit gaan dat ze hun handdoek, parasol, bolderkar, schep, 3d-printer, koelbox en oma niet allemaal snel genoeg op het droge hebben en zitten ze dus met een natte handdoek, parasol, bolderkar, schep, 3d-printer, koelbox of oma.
Maar voor sommigen, vooral voor kinderen, duurt dit spel veel te lang en wordt het al gauw saai. Veel leuker is het om de tijd tussen twee hoge waterstanden nuttig te besteden. Met het bouwen van een zandkasteel.
Er waren eens drie jongetjes die gingen een dagje naar het strand: Willibrord, Jan en Andries. Zij verveelden zich al snel met het kijken hoe mensen hun hele hebben en houwen heen en weer schoven over het strand en besloten een wedstrijd zandkastelen bouwen te gaan doen.
Willibrord was de oudste en hij besloot zijn zandkasteel het verst in zee te maken op een plek waar drie gaten in het zand zaten, putten noemde hij ze. Het werd een heel mooi kasteel, Willibrord was zo trots als een pauw, tot er een grote golf kwam die het werk met de grond gelijk maakte. Alleen het kerktorentje dat hij gemaakt had van een mooi puntig steentje bleef staan. Daar heeft oma overigens nog lelijk haar teen aan gestoten toen zij uren later even lekker ging pootjebaaien.
Jan had grotere plannen. Hij wilden niet één kasteel bouwen, maar hij was van plan om een groot stuk strand in te polderen en daar zeven kastelen neer zetten. Jan was een kunstenaar in de dop: met grote plannen, mooie verhalen en een enorme berg fantasie. Om de dijk rond zijn polder te versieren verstevigde hij hem met de speelgoedpaardjes die hij had meegenomen van thuis. Toen hij zag dat de zee wel erg dichtbij kwam haalde hij de bolderkar en legde die op z’n kop voor zijn dijk om de zee te stoppen.
Andries kwam kijken en lachte zich rot. “Hahaha, hij maakt dijken van ouwe karren en dooie paarden!” Dat kon beter. Maar terwijl zij lekker bezig waren met hun dijkversterkingen kwam de zee steeds dichter bij. Niet te stoppen met bolderkarren, palenrijen, zandtaluuds of basaltglooiingen.
Dus zij besloten alles plat te gooien. En een stukje hogerop bouwden zij met z’n allen een nieuw zandkasteel. Compleet met een kerk en een stevige dijk. Maar toen kwam er een vervelend Duits jongetje en die schopte het kasteel kapot.
Maar goed, de drie jongens gingen niet bij de pakken neer zitten. Zij pakten hun schep en gingen aan de wederopbouw. Met een nog stevigere dijk. Die ze zelfs met groot materieel (hun vader) op Deltahoogte brachten en toen waren ze eindelijk daar waar ze altijd al hadden willen zijn: het karwei was geklaard. Af, over, uitgespeeld, klaar. De schep kon aan de wilgen.
Maar da’s niks voor jonge jongens. Dat zou betekenen dat zij stil zouden moeten gaan zitten en kijken naar hoe iemand met zijn handdoek, parasol, bolderkar, schep, 3d-printer, koelbox en oma met de vloed speelt. Boring! Hollandse handen jeuken. Hollandse handen houden niet van duimen draaien. Hollandse handen willen scheppen. Liefst letterlijk.
Hier loopt dit verhaaltje naadloos over in de realiteit. In de werkelijkheid van vandaag de dag. Wij Hollanders kunnen niet stilzitten en kijken naar gedane arbeid. Wij moeten iets ‘doen’. Gelukkig verschijnt er op zo’n moment een stukje in de krant over dat er weer nieuwe grote waterprojecten nodig zijn. Maar dan heb je ook wel zand nodig voor ontwikkelen nieuwe zand- en/of luchtkastelen, want bijna niemand (alleen mijn vader) kan zandkastelen bouwen met basalt. Daarom wordt er nu gewerkt aan een nieuwe berg zand voor scheppende Hollanders.
We leven namelijk in lange tijd van van laag water. Maar de vloed komt er ooit weer aan en dan moeten we allemaal wegwezen. Dus laten we de tussentijd goed gebruiken en zandkastelen bouwen. Pak uw schep, uw emmertje of uw sleephopperzuiger, en aan de slag!
Ik krijg nu trouwens opeens een goed idee! Ik ga eens vragen of ik zo’n sleephopperzuiger aan kan sluiten op mijn 3d printer! Moet je eens opletten wat voor zandkastelen ik daar mee kan bouwen!

Duurzaamheid

Ik merk dat ik door de jaren een lichte allergie voor dingen die als duurzaam worden aangeprijsd heb opgelopen. Het is eigenlijk net als met goud. Echt goud heb ik geen problemen mee, maar ik ben geen kenner dus ik zie niet direct het verschil met bladgoud. Daarom kom ik zo min mogelijk met goud in aanraking en vermijd ik het begrip duurzaamheid ook zoveel ik kan. Maar soms moet je. Face your fears! En om een passende metafoor te vinden voor dit verhaaltje heb ik een plek gezocht die ik als wandelaar en fietser ook beter kan vermijden: de snelweg.
U kent ‘m wel: de A2. Daar zitten we met z’n allen in auto’s die met een snelheid van 100 km/uur één kant op gaan. Zolang iedereen zich aan de snelheid (en de juiste richting) houdt is dat heel comfortabel. Vooruitgang noemen we dat. En dat willen steeds meer mensen: met volle vaart vooruit. En het liefst nog wat harder, want hoe harder de vooruitgang gaat, hoe beter. Dus de weg moet breder zodat we nu met z’n vijfen naast mekaar de vooruitgang kunnen beleven. En als we dan per ongeluk een keertje met z’n allen stil staan in de file is alles er op gericht om ze snel mogelijk weer de hele boel op gang te krijgen: op naar de 100 km/uur!
En ondertussen raakt de benzine op. Maar daar zijn oplossingen voor: Er wordt wel eens geopperd om de snelheid iets te verlagen naar 80 km/uur om te besparen. Maar dat is niet de bedoeling, dat is geen vooruitgang. Ik zei al: vooruitgang moet altijd sneller, als je langzamer vooruit gaat is dat in feite achteruitgang. Terwijl ik denk dat je met een minder hoge snelheid veel meer tijd hebt om van de vooruitgang te genieten. Ik beheers als volleerd ‘wachter’ zelfs de kunst om te kunnen genieten van stilstand…
Maar dat is een zijspoor, we hadden het over oplossingen voor de benzinemeter die bijna in ‘t rood staat. Er zijn mensen die zoeken het in nieuwe technologie: Windschermen langs de weg om wrijving te verminderen, eventueel met windturbines die je altijd in de goeie richting blazen. Maar dat is wel erg high-tec.
Het kan ook iets minder gewaagd: we stappen over op andere energiebronnen. We gaan hybride of zelfs helemaal voor electrisch. Dan gaan we duurzaam met 100 km/uur vooruit!
Maar al deze oplossingen zijn gericht op het kunnen blijven doen wat we al deden. Met 100 km/uur vooruit, want dat doet iedereen. Die kant gaan we nu eenmaal op. We kunnen niet opeens remmen of stoppen.
Maar zijn we niet veel te veel gefocust op de voorruit? Kijken we nog wel eens opzij? Dat kan niet, want dat is gevaarlijk bij deze snelheid.
En waar moeten we met z’n allen zo snel naartoe? Denkt u dat de weg altijd vijfbaans blijft? Denkt u dat u nooit hoeft af te remmen? Ik denk van niet: aan ‘t eind van de rit staan alle auto’s stil.
En nu ga ik u een gewaagd voorstel doen: we gaan met z’n allen fietsen op de A2! Opeens hebben we enorm veel ruimte: Wat nou vijfbaans? We kunnen wel met z’n twintigen naast elkaar fietsen. Bijkomende voordelen zijn de schone lucht en alle tijd om van het uitzicht te genieten. Van Maarssen naar Amsterdam in een uurtje. Waarom niet?
Omdat het gaat regenen? Neem een regenpak mee, en het regent bijna nooit.
Een lekke band? Die kan je plakken.
Omdat het wel een uur fietsen is? Dan moet je anderhalf uur eerder vertrekken.
Beste mensen, om echt het verschil te maken zouden we met z’n allen moeten gaan fietsen op de A2. Maar ik heb niet de illusie dat ik u daar vandaag van kan overtuigen. En misschien zouden we ook niet een ander duurzamer moeten willen maken, duurzaamheid is bij uitstek zo’n ding van: Verbeter de wereld, begin bij jezelf.
Oh, en om u gerust te stellen: u komt mij straks niet tegen op mijn fiets op de A2. Ik weet een nog veel mooiere weg van Maarssen naar Amsterdam…