zaterdag 21 oktober 2017

Duurzaamheid

Ik merk dat ik door de jaren een lichte allergie voor dingen die als duurzaam worden aangeprijsd heb opgelopen. Het is eigenlijk net als met goud. Echt goud heb ik geen problemen mee, maar ik ben geen kenner dus ik zie niet direct het verschil met bladgoud. Daarom kom ik zo min mogelijk met goud in aanraking en vermijd ik het begrip duurzaamheid ook zoveel ik kan. Maar soms moet je. Face your fears! En om een passende metafoor te vinden voor dit verhaaltje heb ik een plek gezocht die ik als wandelaar en fietser ook beter kan vermijden: de snelweg.
U kent ‘m wel: de A2. Daar zitten we met z’n allen in auto’s die met een snelheid van 100 km/uur één kant op gaan. Zolang iedereen zich aan de snelheid (en de juiste richting) houdt is dat heel comfortabel. Vooruitgang noemen we dat. En dat willen steeds meer mensen: met volle vaart vooruit. En het liefst nog wat harder, want hoe harder de vooruitgang gaat, hoe beter. Dus de weg moet breder zodat we nu met z’n vijfen naast mekaar de vooruitgang kunnen beleven. En als we dan per ongeluk een keertje met z’n allen stil staan in de file is alles er op gericht om ze snel mogelijk weer de hele boel op gang te krijgen: op naar de 100 km/uur!
En ondertussen raakt de benzine op. Maar daar zijn oplossingen voor: Er wordt wel eens geopperd om de snelheid iets te verlagen naar 80 km/uur om te besparen. Maar dat is niet de bedoeling, dat is geen vooruitgang. Ik zei al: vooruitgang moet altijd sneller, als je langzamer vooruit gaat is dat in feite achteruitgang. Terwijl ik denk dat je met een minder hoge snelheid veel meer tijd hebt om van de vooruitgang te genieten. Ik beheers als volleerd ‘wachter’ zelfs de kunst om te kunnen genieten van stilstand…
Maar dat is een zijspoor, we hadden het over oplossingen voor de benzinemeter die bijna in ‘t rood staat. Er zijn mensen die zoeken het in nieuwe technologie: Windschermen langs de weg om wrijving te verminderen, eventueel met windturbines die je altijd in de goeie richting blazen. Maar dat is wel erg high-tec.
Het kan ook iets minder gewaagd: we stappen over op andere energiebronnen. We gaan hybride of zelfs helemaal voor electrisch. Dan gaan we duurzaam met 100 km/uur vooruit!
Maar al deze oplossingen zijn gericht op het kunnen blijven doen wat we al deden. Met 100 km/uur vooruit, want dat doet iedereen. Die kant gaan we nu eenmaal op. We kunnen niet opeens remmen of stoppen.
Maar zijn we niet veel te veel gefocust op de voorruit? Kijken we nog wel eens opzij? Dat kan niet, want dat is gevaarlijk bij deze snelheid.
En waar moeten we met z’n allen zo snel naartoe? Denkt u dat de weg altijd vijfbaans blijft? Denkt u dat u nooit hoeft af te remmen? Ik denk van niet: aan ‘t eind van de rit staan alle auto’s stil.
En nu ga ik u een gewaagd voorstel doen: we gaan met z’n allen fietsen op de A2! Opeens hebben we enorm veel ruimte: Wat nou vijfbaans? We kunnen wel met z’n twintigen naast elkaar fietsen. Bijkomende voordelen zijn de schone lucht en alle tijd om van het uitzicht te genieten. Van Maarssen naar Amsterdam in een uurtje. Waarom niet?
Omdat het gaat regenen? Neem een regenpak mee, en het regent bijna nooit.
Een lekke band? Die kan je plakken.
Omdat het wel een uur fietsen is? Dan moet je anderhalf uur eerder vertrekken.
Beste mensen, om echt het verschil te maken zouden we met z’n allen moeten gaan fietsen op de A2. Maar ik heb niet de illusie dat ik u daar vandaag van kan overtuigen. En misschien zouden we ook niet een ander duurzamer moeten willen maken, duurzaamheid is bij uitstek zo’n ding van: Verbeter de wereld, begin bij jezelf.
Oh, en om u gerust te stellen: u komt mij straks niet tegen op mijn fiets op de A2. Ik weet een nog veel mooiere weg van Maarssen naar Amsterdam…

Nattigheid

Als ouder wil je niets liever dan dat je kinderen plezier hebben. Hartstikke leuk zo’n kindje dat met een grote lach op het gezicht in een plas springt. En toch hoor je de ouders dan steevast roepen: “Nee, niet doen! Je wordt nat!”. Waarom toch? Waarom bederven wij dat plezier? Waarom doen we zelf niet mee? “Je wordt nat!” Ja, nou en? Daar hebben we toch de handdoek en droge sokken voor uitgevonden?
Heeft u wel eens goed gekeken wat er gebeurt als je in een plas springt? Heel even sta je dan op de grond terwijl het water in grote snelheid van je voeten af beweegt. Let ook even op het geluid: SPLASHHH! Droge voeten omringd door een muur van water. Maar dat moment is van korte duur, vrij snel daarna komt het water weer terug naar je voeten stromen en sta je tot je enkels in het water. Waar zijn je voeten nou? Dat voel je al vrij snel: die worden nat.
En daar ligt het verschil tussen een kind en een volwassene: een kind trekt zich daar niets van aan en gaat, schijnbaar zonder het te merken, door met waar het mee bezig is. Natter dan nat kan toch niet. Als je in een regelmatig tempo in de plas stampt, maak je hele mooie kringen die steeds groter worden. Dat ziet er mooi uit en je kan de omstanders meteen uitleggen dat de onzichtbare geluidsgolven plons, plons, plons zich precies zo gedragen. Nog leuker is het om de omstanders bij het spel te betrekken en heel hard in de plas te springen zodat de spetters tegen hun benen komen. Wie weet doen ze mee…  Maar een volwassene schiet meteen in een negatieve bui: het gezicht betrekt en niet zelden gaan natte patta’s (straattaal voor schoenen) vergezeld van stevige taal. “Niet doen! Kom uit die plas!”.
Het lijkt er op dat volwassenen een hekel hebben aan nattigheid. Als de weersvoorspelling luidt 90% kans op regen dan is de dag al verpest. En dat is jammer. Helemaal als je bedenkt dat wij, natuurliefhebbers er juist van zouden moeten houden. Want het weer is immers de enige echte natuur die wij nog hebben (niet door de mens gewijzigde omgeving of omstandigheid). Hoewel, wij hebben de regen in gecultiveerde vorm wel degelijk naar binnen gehaald. Als wij maar de controle hebben over begin, eind en temperatuur van de vallende drupples dan kunnen we eigenlijk niet meer zonder onze douche.
Misschien zou het schelen als we ons in de regen hetzelfde zouden gedragen als onder onze douche? Dus de volgende keer als het regent: naar buiten! Verder zit toch iedereen binnen dus het is lekker rustig. Tenzij iedereen nu naar mij luistert. Doe je kleren uit (misschien niet alles) en zingen!

Ik weet het niet

De laatste tijd komen er via de social media steeds vaker maatschappij kritische filmpjes op mijn tijdlijn. En daar ben ik niet zo blij mee. Het zet mij namelijk aan het denken over mijn doen en laten. Waar doe ik mijn boodschappen, hoe doe ik mijn boodschappen en welke boodschappen moet ik eigenlijk kiezen? Zijn de bloemen die ik voor moederdag wilde kopen wel eerlijk geplukt? Was daar niet een moeder in Afrika voor uitgebuit? Werd de CO2 die het transportvliegtuig uitstootte wel gecompenseerd en bevatten de bloemen geen bestrijdingsmiddelen die gevaarlijk zijn voor ons Hollandse oppervlaktewater? Kortom: mijn moeder heeft (weer) geen bloemen gekregen.
Als je onwetend bent, ga je met de auto naar de dichtstbijzijnde supermarkt en daar koop je de goedkoopste producten. Dat is voor jou (portemonnee) de makkelijkste oplossing. Gelukzalig zijn de onwetenden. Maar dan gaan mensen je opeens lastigvallen met een link naar een site waarop je je mondiale voetafdruk kunt berekenen. En dan blijkt opeens dat jouw handelen effecten heeft over de hele wereld. Dat dat t-shirt wat jij uit de automaat haalt voor maar twee euro onder embarmelijke omstandigheden wordt geproduceerd, liefst door goedkope kinderhandjes. Had ik dat maar niet geweten, dan had ik voor een tientje mijn kledingkast gevuld.
Of je ziet de foto’s van de dieren die ten grondslag liggen aan jouw reclamepakket barbequevlees. Dan is die vijf kilo voor een tientje helemaal niet meer ‘lekker’ en overweeg je opeens om een vegetarische barbeque te doen (voor goeie recepten zie internet).
Of er is zo’n goed geinformeerde natuurgids die je zeer enthousiast kan maken voor een nietig plantje. En dan blijkt die ineens welig te tieren in jouw achtertuin. Kan je helemaal niet meer je hele tuin bestraten en een nieuwe carport aanleggen.
Kortom: hoe meer je weet, hoe zwaarder de keuzes die je moet maken. Misschien is dat wel de keerzijde van de kapitalistische medaille die velen van ons liever niet zouden willen zien.
Ik zeg wel eens tegen mijn gasten die ik het verschil tussen mijn ‘polderwachter’ en een natuurgids moet uitleggen het volgende: Het doel van de natuurgids is om je met meer kennis de polder te laten verlaten en ik heb juist het tegenovergestelde doel. Ik wil kijken of het lukt om dingen die mensen denken te weten een beetje los te schroeven, om ze de dingen van een andere kant te laten bekijken. “Tsja, als je het zo bekijkt…”
Ooit dacht ik dat als ik maar genoeg mensen sprak: een boer, een boswachter, een beleidsmaker en een toerist dat ik dan alwetend zou worden. Als ik alle meningen op een rijtje zou zetten en delen door tien dat ik dan precies zou weten hoe het moet. Maar zo blijkt het niet te werken: ik heb begrip voor alle standpunten. En dat is balen want nu weet ik niks meer. Maar ik ben dat gaan zien als kwaliteit. Want als iemand zegt: “dat weet ik niet” betekent dat soms dat hij of zij meer kennis heeft dan degene die denkt precies te weten hoe de vork in de steel zit…

De mooiste plek

Een paar jaar geleden stond ik met de burgemeester van Amersfoort aan de monding van de Eem. Wij keken uit over het water van de randmeren, zagen in gedachten de botters op de Zuiderzee terwijl de windturbines op Flevoland ons vrolijk toewuifden. “Dit is de mooiste plek van Nederland”, zei de burgemeester. “Ja”, zei ik. Want je moet een burgemeester altijd gelijk geven. Maar toen ik terug fietste en vanuit het bos van de Utrechtse heuvelrug opeens weer het open veenweidegebied van de Vechtplassen zag, dacht ik: Misschien hadden we het mis en is dit de mooiste plek van Nederland.
Toen ik die avond met een koel biertje en mijn favoriete muziek in de tuin onder de druif zat wist ik dat er eigenlijk geen mooiere plek was dan daar. Tot ik bij mijn ouders op visite was en bovenop de Hondsbossche Zeewering stond. Al jaren bovenaan op mijn lijstje van mooiste plekken van Nederland. En nog steeds.
Kortom: er is geen mooiste plek. Nederland is een aaneenschakeling van mooiste plekken. Als je maar weet waar en hoe je moet kijken.
Een jaartje later mocht ik een groep Amerikanen rondleiden. Maar welke mooiste plek zou ik ze laten zien? Waar zou ik blijvende indruk mee kunnen maken? Wij hebben geen indrukwekkende Great Plains of Grand Canyon. Wij hebben het land van boer Willem en het Amsterdam-Rijnkanaal. Heel mooi, maar in Amerikaans perspectief niet heel erg ‘great’ of ‘grand’. Dus we hebben het anders aangepakt.
We hebben fietsen gehuurd in Utrecht en we zijn langs de Vecht de stad uit gefietst langs de buitenplaatsen en parken. Bij Maarssen zijn we de polder in gegaan over het land van boer Willem met de Hollandse koetjes. Daarna langs de Loosdrechtse plassen, achter Tienhoven door de ‘nieuwe natuur’ van Natuurmonumenten naar de bossen van de Utrechtse heuvelrug en weer terug naar Utrecht. Fantastisch vonden ze het: in één middag zes landschappen! Op fiets nog wel! Amazing!
Dus daar maak je indruk mee in het Hollandse landschap: een fietstocht langs een hele serie van mooiste plekken. Niet uren lang in de woestijn, dagen door het oerwoud of graanvelden zover je kan kijken. Nee, wij hebben kleine pareltjes op fietsafstand. Blijkt ons Hollandse landschap helemaal voorbereid te zijn op de hedendaagse al trappende zappende mens!

Stadsmuur

Ooit was het duidelijk: de stad stopte bij de stadspoort. Daar door en je was buiten, op het platteland. Andersom was er ook geen twijfel mogelijk: zodra je de brug over was en de poortwachter gedag had gezegd was je veilig: binnen. Nu liggen de oude stadspoorten midden in de steden en is het alleen met een goeie plattegrond duidelijk wat binnen en wat buiten was.
Een paar jaar geleden zat ik aan een grote tafel met een aantal creatieve mensen om plannen te maken voor Utrecht in 2018. Rode draad in dat gesprek was de relatie tussen de stad en het platteland. Over hoe die relatie is: weten de stedelingen nog waar de melk vandaan komt? Weten de boeren wat er op het menu staat van de stedelijke eetcafe’s? En wat wij zouden moeten of kunnen doen om deze relatie te verbeteren. De rode draad is dan een groene lijn: om de stedeling de weg te wijzen (vaak in letterlijke zin) naar buiten en om voor de boer een markt te creëren (net zo letterlijk) waar hij zijn producten kan verkopen. Maar hoe hef je de grenzen op? Hoe overbrug je de ringwegen rond de stad en hoe vertel je de stedeling het verhaal van de koe in de wei?
Toen dacht ik: is dat eigenlijk wel nodig? Willen we dat wel? Ik had net een groepje pubers in de polder gehad die al die vliegen en mestlucht maar niks vonden. Die veel liever bij de McDonalds zouden zitten.
Dat is ook goed, dacht ik, alleen dan moeten ze daar ook wel blijven. De volgende dag stonden de media namelijk vol met berichten van een (vermoedelijk) stedelijke actiegroep die met schokkerige beelden duidelijk wilden maken hoe weinig ruimte onze reclamebarbequepakketten in levenden lijve hebben. Op zich een lovenswaardige actie alleen mistte ik het verhaal van de boer. Misschien had die kunnen vertellen dat de prijs die ‘de markt’ betaalt een betere omgang met de dieren niet toelaat? Ik weet zeker dat er boeren zijn die graag zouden hebben dat die mensen gewoon binnen de stadsmuren hun zendelingenwerk zouden doen. 
Misschien is dat ook wel een stuk effectiever. Ik hoorde laatst dat er in een dorp een handtekeningenactie was geweest tegen de bouw van nieuwe mega-varkensstallen. 80% van de bevolking had getekend. Toen is een journalist voor de supermarkt gaan staan en heeft de mensen die hadden getekend geconfronteerd met hun vleesaankopen die bijna allemaal uit de ongewenste megastallen kwamen. Als we het niet meer kopen gaan de boeren vast ander(s) vlees produceren.
Dus ik zou willen pleiten om de oude stadsmuur in ere te herstellen. Gewoon weer een harde lijn trekken rond de stad, met duidelijke in- en uitgangen. Als je hem langs de ringweg zet kan hij mooi dienst doen als geluidswal en als uitkijkpunt. En bij de nieuwe poorten vindt de ontmoeting plaats tussen stad en platteland. De boer verkoopt er zijn ganzenvlees op de boerenmarkt, de stedeling huurt er een fiets met brede banden en een routebeschrijving. Word ik misschien op mijn oude dag nog poortwachter…

Respect!

Daar kwamen ze, ’s ochtends vroeg. Vijfentwintig kinderen op de fiets weer en wind trotserend voor anderhalf uur buitenles. Voorzien van handschoenen, laarzen en een hele hoop lawaai, klaar om in de natuur een lesje te leren.
Sporen in het land heet de les. Ik vertel ze bij aankomst een inspirerend verhaaltje over de landschapskunst van Richard Long en Andrew Goldsworthy. Over gewandelde lijnen in het landschap en fantastische vormen van afgevallen blaadjes. En over de pindakaasvloer van Wim T. Schippers wat vooral een geur-kunstwerk is, net als de kunstwerkjes die honden achterlaten in de natuur. Waar je, als je wilt en durft, ook weer wat leuks van kunt kleien… En dan mogen de kinderen aan de slag om met takjes, steentjes, blaadjes, stront, modder of mooie bloemetjes zelf een kunstwerk te maken. En het lukt telkens weer om de hele groep enthousiast aan het werk te krijgen.
Maar toen kwam de boswachter en die vond dit allemaal geen goed idee. De kinderen gingen het bos in om materiaal te zoeken terwijl er op het bordje staat: geen toegang buiten de paden. En met al dat lawaai joegen ze de reen de stuipen op het lijf en de ‘kunstwerkjes’ maakten rommel in het strakke park.
Een duidelijk verschil van inzicht. Hij was van mening dat je mensen respect voor de natuur bijbrengt door ze met de handen in de zakken vanaf het pad naar de vogeltjes te laten kijken. De natuur heeft al weinig ruimte en is dus heel kwetsbaar. Daar valt wat voor te zeggen maar ik denk toch dat je zo de afstand niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk vergroot. Laat een kind tot z’n knien in de bagger zakken, n worden met de natuur! Bij een confrontatie tussen een kind en een brandnetel weet ik uit ervaring wie er als meest kwetsbaar uit de bosjes komt. Dus de natuur bijt heus wel van zich af.
Daarbij zijn kinderen over het algemeen een stuk gehoorzamer dan honden. Honden moet je op het pad houden maar kinderen gaan hooguit een paar meter uit zicht de bosjes in. Zij zullen niet hun neus achterna gaan om een konijn te pakken. Honden aan de lijn vind ik dus geheel vanzelfsprekend maar kinderen moet je los kunnen laten lopen.
En dan dat lawaai. Hebben hertjes liever geen kinderen meer in het bos zodat hun rust niet wordt verstoord? Ja denk ik, maar hoe zit het dan met het noodzakelijke onderhoud? Snoeien doen we ook niet op de fiets met een elektrische kniptang, daarvoor gaat ook groot materieel het bos in en het geluid van de motorzaag overstemt wel tien schoolklassen.
En ik geef het toe: over de kwaliteit van de kunstwerken valt te twisten. Zoals dat hoort bij echte kunst. Maar toen ik de grote bouwwerken aan het eind van de dag aan t slopen was en terug het bos in bracht, kreeg ik commentaar van een paar wandelaars die het wel erg zonde vonden dat ik die leuke kunstwerken van de kinderen kapot aan het maken was. Gelukkig!
Ik durf te wedden dat we met mijn aanpak de natuur een grotere dienst bewijzen dan met de verbodsborden van de boswachter. Ik denk dat je met de kinderen in de bagger de boswachters van de toekomst kweekt.

vrijdag 21 april 2017

Eikenprocessierups

Er zat een meesje in mijn tuin. "Kijk, een koolmeesje", zei mijn zoon. Voor hem is een meesje niet zomaar een mees. Hij kent het verschil tussen een kool- (die met zo'n zwart petje op hun kop), een pimpel- (met een blauw petje), een staart- (met een hele lange staart) en opa Mees (zilverkleurig kopje en niet vliegend). Is mijn zoon daarmee rijker dan een kind dat niet meer ziet dan een vogeltje?
Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat dit het probleem van de biodiversiteit is. Eigenlijk is biodiversiteit geen probleem maar een verschijnsel: hoe meer soorten, hoe groter de biodiversiteit. Maar het probleem van de biodiversiteit is dat veel mensen de verschillende soorten niet meer van elkaar kunnen onderscheiden.
Daar kan je op twee manieren wat aan doen. De eerste door middel van educatie: groencursussen en ontdekkisten. Maar daarvoor is een zekere hoeveelheid nieuwsgierigheid nodig. En hoe bereik je die grote groep mensen die een stuk minder de behoefte voelt om er op uit te trekken, de paden op, de lanen in? Op zoek naar de wielewaal. Daar hebben ze iets nieuws op verzonnen.
Men is begonnen om de mensen een aantal verschillende boomsoorten te leren kennen. Te beginnen bij de eik. En dan vertellen ze niet over de eikeltjes in het najaar of de zeer herkenbare bladvorm (daar is overigens ook nog een mooi verhaal over te vertellen. Over hoe ooit de afspraak werd gemaakt dat bomen hun blad zouden laten vallen na de zomer en hoe de eik zich niet aan deze afspraak hield en daarna de mensen kwamen om de bladeren van de bomen te trekken. Nog immer te zien aan de hapjes die uit de bladeren zijn genomen) Maar dit verhaal hoort bij de nieuwsgierige aanpak.
Nee, ze hebben een aantal eiken voorzien van een rood-wit geblokt lint met daarop de waarschuwing: pas op, eikenprocessierups. Angst, dat is de nieuwe herkennings-strategie. Nu denkt u natuurlijk dat zo'n lint er zit om u te waarschuwen voor de rupsen, maar ik heb uitgevonden dat dat helemaal niet waar is! Want wat blijkt? Zelfs maanden nadat de rupsen vlinder zijn geworden (van die mooie kleine witte nachtvlindertjes) zit dat lint nog om de boom. Soms zelfs de hele winter door. En dan is er echt geen rups meer te bekennen. Zodoende ben ik achter deze nieuwe boom-herkennings-strategie gekomen. Dus als u een boom ziet met zo'n lint, dan weet u: dit is een eik. En er is maar een korte periode in het voorjaar waarin je met een wat grotere boog rond de boom moet lopen om de haartjes van de rupsen te ontlopen.
Voor de nieuwsgierigen, dit is wat er kan gebeuren met de haartjes van de rups:
De eikenprocessierups heeft honderdduizenden tot een miljoen brandharen van 0,2 tot 0,3 millimeter lang. Het zijn pijlvormige haartjes, die bij bedreiging worden afgeschoten. De haren kunnen dan in de huid, de ogen en de luchtwegen komen. De stoffen die van de haren afkomen kunnen een op allergie lijkende huiduitslag zwellingen, rode ogen en jeuk veroorzaken. In de meeste gevallen verdwijnen de klachten vanzelf. Niet alle personen zijn gevoelig voor de brandharen. In zeer zeldzame gevallen kunnen andere verschijnselen ontstaan, namelijk braken, duizeligheid en koorts.